Tijdschrift Bouwen aan de Nieuwe Aarde

Neem nu een abonnement, dan blijf je verbonden en op de hoogte.
Lees verder >>
Introductieteksten en enkele artikelen online
Lees verder >>
Maak het bekend en steun ons met gebed en giften
Lees verder >>
 

printversie van dit artikel

 

JEZUS' GEBEDSWONDEREN

P. Schoonenberg S.J.

Dikwijls worden Jezus' wonderen gezien als bewerkt door zijn Godheid, praktisch enkel door zijn godheid. Ik geloof in Jezus als 'God van God', zoals we in het Credo belijden, als Gods Eengeboren Zoon. Maar in hetzelfde geloof zie ik Hem ook als volledig mens. Hij is honderd procent God en honderd procent mens. En zo zie ik ook zijn wonderen, als goddelijk én menselijk tegelijk.

Dit wilde ik voor u uitwerken door enkele trekken in Jezus' wonderdadig werken te bespreken, bijzonder in zijn genezingen. Ik ontleen die trekken vooral aan de synoptici: dat zijn Matteüs, Marcus en Lucas. Hun evangelies lijken veel op elkaar, maar juist in de kleine verschillen toont ieder zijn eigen karakter. Legt u ze daarom eens naast elkaar. Ik volg vooral het oudste evangelie, dat van Marcus. (Als niet anders blijkt, verwijzen de cijfers naar de hoofdstukken en verzen van dat evangelie.) Een goed zicht op Jezus' wonderen geeft Hij zelf nadat Hem verweten is dat Hij door Beëlzebul duivels uitdrijft. Daar zullen we eerst bij stilstaan. Daarna kijken we naar wat Jezus bij zijn genezingen doet en wat Hij zegt.

Wat Jezus over zijn wonderen zegt (3,22-27)

Jezus' genezingen en duiveluitdrijvingen vallen op, ze zijn uitzonderlijk. Dat ontkennen zelfs de Farizeeën niet, hoewel ook zijzelf met hun 'zonen' (=leerlingen) duivels uitdrijven (Matteüs 12,27). Zij trachten echter aan die uitzonderlijke daden een andere uitleg te geven: Jezus zou duivels uitdrijven door Beëlzebul, de vorst der duivels. Jezus heeft blijkbaar een afspraak met die Beëlzebul, die Hem macht over zijn onderdanen heeft gegeven om de mensen te misleiden.

Uit Jezus' antwoord wil ik twee punten naar voren brengen (Matteüs 12,28; Lucas 11,20):

1. Ik drijf duivels uit door de Geest Gods (Matteüs) of de vinger Gods (Lucas);

2. Conclusie: Dan is ook het koninkrijk Gods tot u, of over u, gekomen.

Deze twee punten kunnen ons iets leren omtrent Jezus' eigen opvatting van zijn wonderen.

Vooreerst door wat er niet gezegd wordt. Jezus zegt niet: kijk maar, dit is tegen alle wetten van de natuur. Daarover ging het ook bij zijn tegenstanders niet. De hele vraag naar natuurkrachten of -wetten speelt in dit twistgesprek geen rol. Die vraag speelt in de Heilige Schrift nergens een rol. De Schrift kent het begrip 'natuurwet' niet. Daarom kunnen wij het wonder beter niet omschrijven als een gebeuren dat boven de krachten van de natuur ligt en tegen haar wetten in gaat. Vooreerst omdat dit nooit aangetoond kan worden. Er kan altijd morgen een nieuwe kracht in de natuur of in de mens ontdekt worden. Vervolgens omdat zoiets toch niet op Gods weg lijkt te liggen. Als in Jezus God volledig mens is, schakelt God in zijn doen de mens en de natuur niet uit. Hij schakelt ze eerder maximaal ín. Zijn werken is dan ook te zien als honderd procent goddelijk en honderd procent menselijk.

Vervolgens leren we vooral uit wat Jezus wél zegt. Hij ziet de duiveluitdrijving als een heel bijzonder werk van God. Mits we er voor openstaan ervaren we daarin de Geest Gods, zien we de vinger Gods (vergelijk Exodus 8,15). Niet doordat dit werk tegen de natuurwetten in gaat, maar doordat het bevrijdt van de boze macht. Juist zo toont het dat het koninkrijk Gods, Gods bevrijdende macht ten bate van de lijdenden nabij is.

De heerschappij van een koning moet in Israël redding en bevrijding brengen. De heerschappij van God als koning zal dit ten volle doen. Dit begint in Jezus' duiveluitdrijvingen en genezingen. Daarin krijgt het in Jezus komende koninkrijk gestalte. Het Johannesevangelie zegt: Hier zijn de werken die de Vader door Jezus doet om aan de mensen leven, ja eeuwig leven, te geven (Johannes 5,20-26).

Wat Jezus bij zijn wonderen doet

God brengt ons genezing, leven door Jezus. Dit blijkt uit wat Hij bij zijn wonderen, bijzonder bij zijn genezingen, doet en zegt. Bij zijn doen vallen twee dingen op.

1. In het Oude Testament geneest Jesaja een gezwel van koning Hizkia door middel van een vijgenkoek (Jesaja 38,21). Ook over Jezus wordt verhaald dat Hij huismiddeltjes gebruikte: speeksel (7,3; 8,23) of speeksel en slijk (Johannes 9,6). Maar er ging ook een kracht van Jezus uit, zoals vooral Lucas (5,17; 6,19; 8,46) vermeldt. Daarom willen de mensen Hem aanraken (3,10; 6,56).

2. Het meest opvallende is echter dat Jezus zelf degenen aanraakt die genezing zoeken. Hij pakte Petrus' schoonmoeder (1,31) en Jaïrus' dochtertje (5,41) bij de hand, Hij raakte zelfs een melaatse aan (1,41) en de lijkbaar van de jongen uit Naïn (Lucas 7,14), en het oor dat Petrus had afgeslagen (Lucas 22,51). De evangelisten verhalen ook van genezingen op afstand (7,30; Matteüs 8,13; Johannes 4,53). Maar de meeste genezingen van zieken gebeuren toch door Jezus' aanraking.

Daarbij komt een bijzondere wijze van aanraking naar voren: de handoplegging. Soms legt Jezus zijn handen op de zieke plek: zo op de ogen van de blinde (8,25). Meestal legt Hij zonder meer de handen op (6,5; Lucas 13,13). Er ligt een persoonlijke zorg voor ieder in dit gebaar. Lucas (4,40) zegt dan ook dat Jezus de zieken 'een voor een' de handen oplegt.

Uit dit alles blijkt vooral de menselijke kant van Jezus' genezingen. Hij gebruikt geneesmiddelen, en kan daarom niet worden voorgesteld als een vijand van dokters. (Over dokters gesproken: leest u eens in het boek Jezus Sirach of Ecclesiasticus: 38,1-15). Hij raakt aan en er gaat een kracht van Hem uit, misschien een genezende kracht die in zijn lichaam aanwezig is. Dit alles echter ook met de zorg, de tederheid, de zegening die belichaamd is in de handoplegging, zoals liefde in een kus.

Als er lichamelijke krachten van Jezus uitgaan, dan worden zij ongetwijfeld door zijn persoonlijke zorg en liefde meer intens. Ze worden nóg intenser door Gods kracht om en in Hem. Daarop wijzen zijn woorden.

Wat Jezus bij zijn wonderen zegt

Jezus spreekt twee soorten van woorden uit die op het eerste gezicht nogal verschillen: zijn oproepen om te geloven, en zijn bevelen.

1. 'Uw geloof heeft u genezen'. Dit zegt Jezus enkele malen na een wonder (5,34; 10,52; Matteüs 8, 13). Het geloof was dus werkzaam bij de totstandkoming ervan. Marcus zegt dat Jezus in Nazaret 'geen enkel wonder kon doen', behalve dan aan een paar zieken, en de reden is het ongeloof dat Hij ontmoet (6,5v).

Ook Matteüs (13,58) zegt dit, maar iets zwakker; bovendien staat bij deze evangelist (17,20) Jezus' antwoord op de vraag van de leerlingen waarom zij een boze geest niet konden uitdrijven: 'Om uw gebrek aan geloof'. Als Jezus zelf genezen wil vraagt Hij soms eerst geloof of wordt Hij door het geloof van een zieke of de omstanders bewogen (2,5; 5,36; 7,29; Matteüs 8,10). Bij Johannes, die de wonderen vooral ziet als tekenen, volgt soms het geloof, of de versterking ervan, na het wonder (Johannes 2,11; 4,53); in de synoptische evangelies komt naar voren dat het geloof aan het wonder moet voorafgaan.

Dit geloof kan zijn 'klein als een mosterdzaadje (Matteüs 17,20). Misschien denkt Jezus daarbij toch aan de groeikracht van dit kleine zaadje dat 'opschiet en groter wordt dan alle tuingewassen' (Marcus 4,32). Want in dit geloof kun je tot een berg zeggen 'verplaats je' en het zal gebeuren (Matteüs 17,20; vgl. 1 Korintiërs 13,2). Een hele strijd om zulk een geloof wordt gevoerd na Jezus' gedaanteverandering, naar aanleiding van een bezeten jongen (9,19-24). Diens vader, de omstanders en blijkbar ook de leerlingen kunnen niets, en Jezus roept uit: 'O, ongelovig geslacht, hoe lang moet Ik nog bij jullie zijn!' En op het woord van de vader 'Als ge iets kunt doen…', antwoordt Jezus: 'Wat dat kunnen betreft, alles kan voor wie gelooft'. En dan die vader weer: 'Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp'.

Hieruit blijkt dat Jezus niet alleen geloof eist, maar ook ongeloof te hulp komt, in geloven voorgaat. De Hebreeënbrief (12,2) noemt Jezus (in de Willibrordvertaling) 'grondslag en voleinding van het geloof'. Men zou ook kunnen vertalen: 'aanvoerder en voltooier van het geloven'.

2. In dit geloof, dit volstrekt vertrouwen op God zijn Vader, bidt Jezus ook: 'Vader, Ik dank U dat Gij Mij altijd verhoord hebt' (Johannes 11,41). Of Hij verzucht tot God zonder woorden (7,34; vgl. Romeinen 8,26). Maar de meeste woorden die bij Jezus' wonderdaden zijn opgetekend lijken toch meer op een bevel. Zijn duiveluitdrijvingen doet Hij enkel door een hard bevel (1,25; 5,8; 9,25). Hij gebiedt ook de wind en het water (11,39). Volgens Lucas gebiedt Hij ook de koorts van Petrus' schoonmoeder te wijken (Lucas 4,39). Tot de melaatse zegt Hij: 'Ik wil, word gereinigd' (5,13). En tot de lamme van Kafarnaüm (2,11) en die van Jeruzalem (Johannes 5,8): 'Sta op, neem uw bed op en loop'.

Jezus gelooft in Gods kracht die niet alleen om Hem heen werkt, maar ook in Hem en door Hem. Daarom kan Hij niet alleen vertrouwvol bidden, maar ook gezagvol bevelen.

Toen we spraken over wat Jezus deed, zagen we vooral de menselijke kant van zijn wonderen. Uit zijn woorden blijkt dat die kracht, die lichamelijk en psychisch kan zijn, tegelijk gedragen wordt door zijn geloof, zijn  openstaan voor Gods kracht, dat Hij bovendien van anderen eist. Ook staat Jezus open voor Gods kracht, Gods Geest (Matteüs 12,28) die in Hem werkzaam is. Zo kan Hij vertrouwvol, maar tevens gezagvol optreden tegen de machten van kwaad en ziekte.

Aldus blijken Jezus' wonderen menselijk en goddelijk tegelijk e zijn, beide voor honderd procent. En het grootste wonder is de ondoorgrondelijke persoon van wie dit alles uitgaat, Jezus zelf. Daarom is er naar Jezus' woorden bij Johannes (10,37; 14,11) een geloof dat gebaseerd is op de tekenen, en een groter geloof omwille van hemzelf.

Slotopmerkingen

1. In de evangelies worden 'velen' door Jezus genezen, maar toch niet allen (bijvoorbeeld bij de vijver van Bezeta: Johannes 5,3). Aan Paulus geeft de Heer geen bevrijding, maar zegt: 'Mijn genade is u genoeg' (2 Korintiërs 12,9). Jezus' genezingen geschieden doorgaans plotseling, maar ook dit niet altijd (Marcus 8,23-25). Dit alles kan ons leren dat God met de mens zijn tijden heeft: een genezing kan nu nog niet gebeuren, of heel geleidelijk, of misschien nooit. Wij mogen in ons gebed niets afdwingen. Omdat wij zo ver van Jezus af staan kunnen wij eerder zijn smeken navolgen dan zijn bevelen.

2. Charismatische genezing hoeft medische, ook psychiatrische hulp, niet uit te sluiten, en omgekeerd. In de charismatische dienst der genezing treden ook psychische mechanismen op. Vooral de zorg en de helderziende liefde (charismatische diagnostiek, zou ik zeggen) zijn daarin voornaam. Er ligt altijd een zeker element van suggestie in. Men hoede zich echter voor massa-suggestie (vooral bij het 'omvallen door de Geest'), die op zich meestal maar voor korte tijd geneest.

Uit: Bouwen aan de Nieuwe Aarde, november 1977.

 

Petrus Johannes Albertus Maria (Piet) Schoonenberg S.J. (Amsterdam, 1 oktober 1911 - Nijmegen, 21 december 1999) was theoloog en hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hij was ook betrokken bij de charismatische vernieuwing en jaarlang medewerker van het tijdschrift Vuur. 

 

Meer over genezing: zie de rubriek genezing op www.stucom.nl.

 

Dit atikel staat als document 0382 op www.stucom.nl.

 

 

Delen

Deel op Facebook Deel op Twitter